Voorbeelden van het gebruik van Moet toch in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Daar moet toch wat aan te doen zijn.
Mijn haar moet toch geknipt worden, schat.
Ik moet toch naar de wc.
Ik moet toch wat tijd doden.
Hij moet toch ergens zijn.
Ik moet toch'super' aanbieden.
Ik moet toch weg.
Ik moet toch iets aan?
Dat moet toch te denken geven.
Ik moet toch gaan.
Ik moet toch roken.
Ik moet toch met m'n ma praten.
Hij moet toch weten wat hij gedaan heeft.
Nee, Ik moet toch een paar telefoontjes plegen voor het diner.
Hij moet toch deels zoals wij zijn?
Ik moet toch weten wie ik ben.
Iemand moet toch eerlijk lijken.
Ik moet toch gaan.
Mensen, het moet toch beter kunnen.
Lois moet toch slapen.