Voorbeelden van het gebruik van Moet het doen in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Je moet het doen, Victor.
Ik moet het doen.
Iemand moet het doen. De inventaris.
Lk moet het doen, Harry.
Drie keer draaien moet het doen, denk ik.
Maar je moet het doen, voor mij.
Nee, je moet het doen als ik het je zeg dat het goed is.
Iemand moet het doen.
Jij moet het doen.
Je moet het doen, JT.
Je moet het echter doen in overeenstemming met je eigen vermogen.
Hij moet het doen. Hij heeft gelijk.
Ik moet het doen, Harry.
Je moet het doen, Bairstow. Ja.
Ik moet het doen omdat ik van haar hou.
Ik moet het doen.
Dat moet het doen.
Maar ik moet het doen.
Jij moet het doen, Paul.
Ik moet het doen.