Voorbeelden van het gebruik van Getrouwd zijn in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Getrouwd zijn we zeker, kijk de ring maar.
Moet super stressvol zijn, getrouwd zijn met een politieagent.
Ik moet getrouwd zijn.
Ik dacht dat ze loog over getrouwd zijn, man.
Ik wil vast getrouwd zijn.
Liz, ik wil niet meer met je getrouwd zijn.
Ik wil echt niet meer met je getrouwd zijn.
Dat is beter dan niet getrouwd zijn.
Moet je niet eerst getrouwd zijn?
Ik wil getrouwd zijn.
Wil je gelijk hebben of getrouwd zijn?
Ik wil niet getrouwd zijn.
Nee moeder, ik kan niet beter met een aap getrouwd zijn.
Dan met jou getrouwd zijn.
Getrouwd zijn met een man die me kust
Wanneer wil je dan wél getrouwd zijn?
En aangezien wij allebei niet getrouwd zijn, weten we ons geen raad.
Je weet niet hoe lang we getrouwd zijn.
Hij kan getrouwd zijn.
God beschouwt een stel alleen als getrouwd wanneer ze wettelijk getrouwd zijn.
