Voorbeelden van het gebruik van Omdraaien in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Dokter, omdraaien.
Ik moet het omdraaien.
Moet mijn vader zich omdraaien in zijn graf?
Ik denk dat ik moet omdraaien.
Geef niet op, we kunnen dit spel omdraaien.
Mijn hand wil de sleutel niet omdraaien.
de polen gaan omdraaien?
Ik moet het omdraaien.
Oma zou zich in haar graf omdraaien.
het kan elk moment omdraaien.
Omdraaien, handen achter je rug!
Hij moet zich omdraaien.
Nu omdraaien.
Bepaal het tijdsbestek tussen het omdraaien van de kaarten.
Roteren, bijsnijden en omdraaien van videobestanden met behoud van de videokwaliteit.
Niet omdraaien.
Gewoon de sleutel omdraaien en starten.
Langzaam omdraaien.
Kleding uit en omdraaien.
wil iedereen zich dan omdraaien?