Voorbeelden van het gebruik van Opbellen in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Ik zal mijn vader meteen opbellen.
Ik wou enkel even snel opbellen om te zeggen dat ik heel veel aan jullie denk.
De politie opbellen en een schandaal uitlokken?
Ze moeten grootvader opbellen, die geeft ze, wat ze willen.
Daarna al je vrienden opbellen, een voor een.
We kunnen hem opbellen als het niet te.
Als we eerst Michelle opbellen, dan doet de rest ook mee.
Ik wil opbellen.
Ik zoek een manier hoe we mensen kunnen rangschikken die opbellen met informatie.
Ik ga maar even opbellen.
Kun jij hem voor me opbellen?
Zeg tegen de C.I.A. dat ze je thuis opbellen.
Mam, Pap, blijf hier mocht er iemand eerder opbellen.
Ik ben je al een uur aan het opbellen.
Dus een journalist kan zomaar iedereen hier opbellen?
Ik ga iemand opbellen.
Je moet me even opbellen.
Je moet pappie opbellen.
Nee, niet opbellen!
Alleen, me de hele tijd opbellen.