Voorbeelden van het gebruik van Weer weg in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Ga je weer weg?
Is ie weer weg?
Nu is het weer weg.
Over twee maanden ben ik weer weg.
Wil je weer weg?
Ga je weer weg?
Gaan we weer weg?
Maar dan ben je weer weg.
En zonder bril loopt ze weer weg.
Rebecca, ik vrees dat ik weer weg moet.
Haal ze dan weer weg.
Ga nu niet weer weg.
Morgenavond glippen we weer weg.
Je moet dus weer weg.
En vervolgens zweven we weer weg.
En hij is weer weg.
Je gaat toch niet weer weg?
Pav en ik ben weer weg….
Ik wil weer weg.
Nee. Ik ben zo weer weg.