Voorbeelden van het gebruik van Weer weg in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Is ze weer weg?- Nee?
Gaat ze weer weg?
Morgenavond om 18.00 zijn we weer weg.
Hij gaat weer weg.
zodat we snel weer weg kunnen.
dan ben ik weer weg.
Sla ik 'm weer weg. En als ik er ben.
Ga je weer weg?
Maar ik ben over drie dagen weer weg.
Ik moet weer weg.
Wacht, mijn geluid is weer weg.
ga je weer weg?
We willen haar bang maken en snel weer weg zijn.
We zijn hier snel weer weg.
Nee, want dan loop je weer weg.
Is Denny weer weg?
Ga ik weer weg.
Ik moet weer weg.
Onmiddelijk. Ga je weer weg?
Ik? Ik ben… Het is weer weg!