Voorbeelden van het gebruik van Weer weg in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
En nu zijn ze weer weg.
Zijn avatar is weer weg.
wil je er even snel weer weg.
dan moet ik weer weg.
Ik moet weer weg.
Moet je weer weg?
Ga je weer weg?
Hij is weer weg!
Over twee maanden ben ik weer weg.
En we zijn weer weg.
Dan gaat ze weer weg.
Zodra je terug bent, ben je weer weg.
Mag hij weer weg?
Sam is weer weg en ik verveel me 's avonds.
Maar hij is weer weg is het merk!
Is ie weer weg?
Ik moet weer weg met het polo team.
Ik kan niet weer weg van school.
Ik ga weer weg vanavond.
Tot we weer weg moeten.