Voorbeelden van het gebruik van Meen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Meen je dat?- Olivia.
Meen je dit?
Nee, ik meen niet wat ik zeg.
Ik meen dan ook
Deze keer meen ik het, Nala.
Dat meen ik.
Meen je dat nou, wil je ons kind op die manier opvoeden?
Ik meen het. Het spijt me echt.
Meen je dat? Dat is zat.
Meen je dat?
Deze keer meen ik het. Ja.
Serieus? Meen je dat, Hassan?
Dat meen je toch niet?- Alleen familie.
Tommy, meen ik.
Meen je dat?
Een schedelmasker, meen je dat nu?
Meen je dat, Lynne?
Meen je dat? Als jij en Imogene graag mee willen?
Meen je dat nou?
Nee, ik meen het niet.- Jawel.