Voorbeelden van het gebruik van Ruiken in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Ze ruiken vast een konijn.
Ruiken we als hen?
Ik kan z'n bloed ruiken. Als het z'n menselijke gedaante heeft.
Laat haar eerst aan je hand ruiken.
Mag Elmo aan je geslachtsdelen ruiken?
Jullie ruiken lekker.
Waarom ruiken m'n oksels naar gebraden kip?
De mannen ruiken de pot met goud aan het einde van de regenboog.
Bijna klaar. Ze ruiken lekker, hè?
Je vingers ruiken, ik wil niet dat je aan mijn spullen komt.
je een hond moet laten ruiken.
Zullen we iedereen laten ruiken? Het stinkt!
De kijkers moeten het echte Parijs proeven en ruiken.
Ruiken jullie de zwavel? Branwell?
Ik kan de sigaret ruiken die mijn vader net uitdeed.
En we ruiken een tweede keer.
Als mensen rijkdom ruiken, worden het beesten.
Ze ruiken naar bloed.
Ze ruiken niet!
Wat moet hij ruiken?