Voorbeelden van het gebruik van Ruiken in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
De neus ruiken, om te zien of er geur.
Het is ergens waar ze niet kunnen ruiken.
laat hem er aan ruiken.
Je wil dat echt de hele nacht ruiken?
Of het desnoods alleen ruiken.
Je blijft aan jouw koffie ruiken.
Hoe u uw kamer niet ruiken sigaretten.
Kun je dit niet ruiken?
Mogen we het ruiken?
Blijf ruiken.
Ik kan 'm voelen en ruiken.
Ja, de klok bekijken, en de klok ruiken.
Laat me nog een keer ruiken.
Ik kan hem voelen, horen, ruiken.
Ik kan niet geloven dat jullie het niet kunnen ruiken.
Maar hij kan nog steeds ruiken.
Maar op een rare manier waardoor je het steeds opnieuw wilt ruiken.
voelen of ruiken.
De pampers ruiken toch hetzelfde.
Ik wil je iets laten ruiken, vertel me wat je daaruit opmaakt.