Voorbeelden van het gebruik van Toch doen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Nee, maar ik moet het toch doen.
Maar ik moet dit toch doen.
Maar laten we het toch doen.
We moeten het toch doen.
het mis kan gaan en toch doen ze het.
Uiteindelijk toch doen wat je niet kunt doen. .
We kunnen nu toch doen wat we willen.
En toch doen we het elke dag.
Toch doen wat je niet kunt doen. .
Als ze dat toch doen, zien ze af van een tijdsaanduiding.
Iemand moet het toch doen, hè?
Toch doen ze dat altijd.
We kunnen toch doen wat we willen.
Toch doen wij iets heel raars.
Wat moet ik toch doen?
Ik ga het toch doen.
Wat moet ik toch doen?
Dat moest ik toch doen?
Wij zullen het toch doen.
Iemand moet het toch doen.