Voorbeelden van het gebruik van Een ding in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
De mens is een eigenaardig ding.
Kapitein, er is nog een ding.
Dat boek is een ding, maar televisie!
Het is gewoon een maandelijks ding.
Niet heel veel, dat is een ding dat zeker is!
Vriendschap is een ding, maar liefde is magisch.
Ik begrijp het. En nog een ding.
Er is een ding dat ik niet vergeten ben.
En er is nog een ding.
Een ding Mark. Ze is lief.
Ik ben niet zo een ding.
Een ding dat ik niet begrijp is.
Hij is maar een klein ding.
Maar ik wil… wil dat je een ding weet.
En niemand wil een telefoon ding.
Oh, ja. Een ding mist.
Detective. Ik kan jullie een ding beloven.
Frankie, er is nog een ding.
hij wil maar een ding.