Voorbeelden van het gebruik van Zoon in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Het is voorbij, zoon. Leg het pistool neer.
Machtige mannen, zoon. We trekken de gekken aan.
Wat is er, zoon? Wat heb je te zeggen?
Is dit je zoon?
Kijk hoe m'n zoon met een denkbeeldige beer worstelt.
In slechts drie Nieuwe Testament passages vinden wij de Zoon Zichzelf eigenlijk introduceren.
Van waar erfde de Zoon Zijn naam?
Welke keuzen hebben wij voor de naam van de Zoon?
Ben je ergens ingetrapt, zoon, want er is iets.
Ik heb een zoon, weet je?
Ze hebben je zoon teruggevonden in een container met een kogel in zijn hoofd.
Zoon nummer twee, Ivan.
Zoon, we hadden de vreemdelingen niet mogen helpen.
Ik heb je zoon gezegd dat ik Nicky zelf 't geld gaf.
Waarom is je zoon in een apenkostuum?
Een zoon, een gezonde zoon. .
Ray, is dat de zoon van Lydia en Double J?
Welke zoon van de smid van mijn tijd is nu de smid?
Zeker nu Schillingers zoon 'n overdosis nam.
Gewoon de zoon van een gewezen volksheld.