Voorbeelden van het gebruik van Afwachten in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Voorlopig afwachten.
Afwachten wat hij deze keer van plan is.
Morgen moet je een afspraak maken met de dokter en afwachten wat hij zegt.
Afwachten wat hij morgen zeggen.
En nu afwachten.
En verdere experimenten afwachten, maar de eerste resultaten zijn ongelofelijk.
Even afwachten dan maar(tijdverschil).
Ik ga niet afwachten wat Don zegt, ik vind het goed.
En ik wil niet afwachten totdat het mij langzaam overneemt.
We moeten eerst 2 tot 3 dagen afwachten om te zien of het geen toeval is.
Afwachten, iedereen blijft in positie.
En nu afwachten. Oké.
Afwachten. Hopelijk komt hij de nacht door.
Al dat afwachten… maakt het straks extra speciaal.
Ja, afwachten, we zijn er nog niet….
Stomweg afwachten?
Afwachten. Geduld.
Niet afwachten, Mona.
Niet afwachten!
We zullen de uitkomsten van dat onderzoek afwachten en daarna onze politieke conclusies trekken.