Voorbeelden van het gebruik van Ongelijk in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Ze had geen ongelijk.
Is het zielig dat je net zo vaak ongelijk als gelijk hebt?
Ik had misschien ongelijk.
Ik heb geen ongelijk.
Omdat zij gelijk hebben en wij ongelijk.
Je hebt geen ongelijk.
Dus hebben zij gelijk en jij ongelijk?
Je hebt geen ongelijk.
Je hebt altijd ongelijk.
Maar je hebt geen ongelijk.
Jullie hebben allemaal ongelijk.
Maar waarom staan je ogen ongelijk?
Vrouwen komen van Venus en mannen hebben ongelijk?
Hij had gelijk en ik ongelijk.
Maar je hebt geen ongelijk.
Volgens de Trojanen bewees zijn dood het ongelijk van Laocoön.
Kennelijk had Rambaldi ongelijk.
En ze hadden geen ongelijk.
En ze hebben allebei ongelijk.
Op mijn eigen wijze trachtte ik mijn moeders ongelijk te bewijzen.