Voorbeelden van het gebruik van Leren in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Jij moet dat meisje leren dat dansen uit den boze is, Telamon.
Je moet leren vragen stellen.
Dat ben je ook, maar je moet prioriteiten leren stellen.
Je moet leren onderhandelen.
moet je dat wel leren.
Je mag daar buiten werken en over verantwoordelijkheid leren.
je zal blues leren.
Ik ga hem leren voetballen.
Dan moet je heel veel trucjes leren.
Nu zal je het leren.
Ze moet het leren.
Je hebt een grote verbeeldingskracht, Emrys, daar moet je op leren vertrouwen.
Als het een jongen is, kan ik hem een spitball leren gooien.
Ik heb geen idee wat ze leren, want jij kan niks leren.
Ik kan haar leren naaien.
Zo zul je het leren.
Dan moet je je dochter beter leren kennen.
Je kunt een hoop leren.
Laat me je m'n geheimen leren.
Luister naar hem, je kan iets leren.