Voorbeelden van het gebruik van Leren in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Wat leren ze jullie dan in Boekarest?
Ik zal jullie leren mijn Driehoek te jatten.
In onze jeugd leren we, als we ouder zijn, begrijpen we.
Ik kan je leren hoe je zelf geld kunt wit-wassen.
Ik kan hem dingen leren.
Je zal met de tijd meer leren, Fry.
Leren portemonnee hoesje iPhone 8/ iPhone 7- Macmaniack.
Leren, Polen, Duitsers.
Dat leren ze je op de universiteit.
Wat leren ze jullie tegenwoordig op die Akkadische scholen?
Ik moet leren om weer te winnen.
Leren ze je dat op die openbare school van jullie?
Ik kan hem leren rijden.
We moeten nog zoveel leren over elkaar.
Waar hebt u Xhosa leren spreken, Mr. Gregory?
RoB Leren slip' is toegevoegd aan de vergelijking.
De leren hebben enorme tepels.
En we leren zelfverdediging, Zuivering Nacht veiligheid.
Mijn dochters leren mij de taal van de moderne wereld.
Ze zal leren om van hem te houden.