Voorbeelden van het gebruik van Gaan werken in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
We gaan werken, we gaan genieten;
Hij kon niet gaan studeren. Hij kon alleen bij een drukkerijtje gaan werken.
Cargill moet met Bunge gaan werken. Coke moet met Pepsi gaan werken.
Ze was niet gaan werken.
Peg, ik moet terug gaan werken.
Ik kan voor je gaan werken.
Ik moet gaan werken.
Tot de radio's weer gaan werken, zijn we op onszelf aangewezen.
We gaan werken.
de twee IA uiteindelijk samen gaan werken?
Er zullen veel teams zoals het onze hieraan gaan werken.
Ze is voor een ander gaan werken.
ik moet verder gaan werken.
Met de leeftijd kunnen deze eiwitten minder goed gaan werken.
Wil dit gaan werken, dan moeten we elkaar vertrouwen.
Hoe krijg je het voor elkaar, Lorna? Gaan werken en het huishouden doen.
Het lijkt erop dat we weer samen gaan werken, rechercheur.
Die winkels hebben tijd nodig voordat die geldinjecties gaan werken.
Coke moet met Pepsi gaan werken.
Niemand is gaan werken.