GING TROUWEN - vertaling in Spaans

casé
trouwen
huwen
huwelijk
uithuwelijken
iba a casar
ibas a casar
casaría
trouwen
huwen
huwelijk
uithuwelijken
casaba
trouwen
huwen
huwelijk
uithuwelijken
casó
trouwen
huwen
huwelijk
uithuwelijken
vas a casar
iba a casarme
casas
huis
thuis
woning
house
vakantiehuis

Voorbeelden van het gebruik van Ging trouwen in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans

{-}
  • Colloquial category close
  • Official category close
  • Medicine category close
  • Financial category close
  • Ecclesiastic category close
  • Ecclesiastic category close
  • Official/political category close
  • Computer category close
  • Programming category close
Ik wist wie Tony was toen ik met hem ging trouwen.
Sabía quién era Tony cuando me casé con él.
Ze wou de operatie omdat ze ging trouwen.
Quería la cirugía porque se iba a casar.
Je schoot 'm dood omdat hij met je ex ging trouwen.
Tú disparaste a Herlan porque iba a casarse con tu ex.
Behalve dat ze ging trouwen en de hele klas uitnodigde op haar bruiloft.
Se casó e invitó a toda su clase a su boda.
het was 'n schok om te horen dat hij ging trouwen.
decir que me sorprendió oír que se casaba.
Sorry, ik dacht dat je zei dat je ging trouwen.
Perdona, pensaba que habías dicho que ibas a casarte.
Gisteren zei ze dat ze met 'm ging trouwen.
Regresó anoche y dijo que se casaría con el tipo.
We zeiden dat we een vriend voor de gek hielden die ging trouwen.
Le dijimos que le gastábamos una broma a un amigo que iba a casarse.
Dus ik was zwanger toen ik ging trouwen.
Así que estaba embarazada cuando me casé.
Ja, ik ging trouwen.
Sí, sí, me iba a casar.
Toen ze ging trouwen, was iedereen benieuwd wie het geworden was.
Cuando se casó, quisimos ver quién ganó la partida.
Ik hoorde dat je ging trouwen.
¿Es cierto que vas a casarte?
Dat heb ik gedaan, maar jij vertelde me dat je ging trouwen.
Lo hice, pero me dijiste que te ibas a casar.
De jongen waarmee ik ging trouwen.
Era el muchacho con quien me casaría.
Dit had ik willen zien toen ik zei dat ik ging trouwen.
No reaccionaste así cuando te dije que me casaba.
Ik wist niet dat Odo ging trouwen.
No sabía que Odo iba a casarse.
Ik had stokjes in mijn haar toen ik ging trouwen.
Yo llevaba florecitas en todo el pelo cuando me casé.
Toen zij met Jonathan ging trouwen.
Pero cuando se casó con Jonathan.
En voor het niet melden dat je ging trouwen met mijn nicht!
¡Y por nunca mencionar que te vas a casar con mi prima!
Waarom heb je niet gezegd dat je met Owen ging trouwen?
¿Por qué no me dijiste que te ibas a casar con Owen?
Uitslagen: 212, Tijd: 0.058

Woord voor woord vertaling

Top woordenboek queries

Nederlands - Spaans