Voorbeelden van het gebruik van Goed doen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Ecclesiastic
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Je zult graag goed doen.
God is met hen die goed doen.
Een jaartje Spanje zal hem goed doen.
Je zult het goed doen.
Ja, dat zal je goed doen.
En ik wil het goed doen.
Als we het goed doen, is het drie miljoen waard.
Ik kan toch niets goed doen in haar ogen.
Je zou meer kwaad dan goed doen.
We moeten dit goed doen.
Jij zou meer kwaad dan goed doen.
Het zal u goed doen.
Maar ik wil het goed doen.
Je zult het goed doen.
Dat zal je goed doen.
En als we dit goed doen, luisteren andere gevangenissen misschien ook.
Als we dit goed doen, komen we er allemaal als winnaars uit.
Ik kan nooit iets goed doen.
Kan meer kwaad dan goed doen.
Ik wou het goed doen.