Voorbeelden van het gebruik van Dat hebben in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Wat zou dat hebben veranderd?
Dat hebben we niet gevonden.
Zou ik dat hebben verzwegen?
Ik geloof niet dat we dat hebben.
Je kan dat hebben, Eva.
Dat hebben ze eerder gedaan
Dat hebben we gehoord.
Dat hebben we geprobeerd, meneer.
Je kunt dat hebben, maar is er niet zoveel meer?
Dat hebben we al besproken.
Dat hebben we gemerkt.
Dat hebben ze gedaan, majoor.
Dat hebben ze gehoord.
Dat hebben we voorgesteld, maar dat wil ze niet.
Dat hebben we nu.
Dat hebben we eerder gehoord.
En als ze dat hebben ontwikkeld, dan is het mentale gedeelte een eitje.
Dat hebben alle Italianen.
Dat hebben we gezien bij de aanpak van de crisis op de financiële markten.
Dat hebben we gedaan in honderd dagen.