Voorbeelden van het gebruik van Tellen in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Tellen tot tien met ander voedsel.
Geen drugs tellen waar dat kind bij is.
Bij zonsopgang tellen we onze verliezen. Om ze daarna in de aarde te stoppen.
We sluiten onze ogen en tellen tot 100.
Je had moeten tellen.
Velen, velen, ze zijn nog aan het tellen.
Je moet nu voor mij terug tellen vanaf 10, oké?
Ik wil dat je het geld er uit haalt, en het langzaam gaat tellen.
Laten we onze zegeningen tellen.
Maar niet, niet meer tellen.
Laten we ze tellen.
Je moet mee tellen met mij.
niet tellen.
Degenen die al zijn ontsnapt, tellen nu honderdduizenden.
We kunnen beter de stappen tellen hier.
Je hoeft m'n poriën toch niet tellen?
Ze hadden tot vijftig kunnen tellen.
Haal het geld tevoorschijn, dan kan ik 't tellen.
Hoe kunnen ze ons vrijlaten in vijf tellen?
Hij moet alles twee keer tellen.