Voorbeelden van het gebruik van Tellen in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Ik ben de belletjes aan het tellen.
Volgens het voorstel zal het Bureau in totaal 100 personeelsleden tellen.
Ik ben de hele dag pillen aan het tellen.
De traparmen moeten recht zijn en maximum 17 treden tellen.
Het middenschip en de beide zijbeuken tellen zes traveeën.
Het LCD-scherm geeft 5 cijfers en tellen tot 99999.
de bijzondere comités tellen leden van beide geslachten.
Hij gaat gewoon uniformen tellen.
En we gaan elkanders drankjes niet zitten tellen.
Ik ga eerst. Na tien tellen kom jij.
Hoofden tellen.
En nu moet je tot vijfentwintig tellen.
Niet meer tellen.
We verzilveren de cheques, tellen de stemmen en gaan verder.
Over vijf tellen ben ik terug.
Ze ging uit. Tien tellen later kwam ze terug met een kwaad gezicht.
Je hebt 30 tellen voor ze een pinata van je maken.
Tien tellen lol, dertig jaar ellende.
Tellen hoeft niet.
Overstromingen tellen niet. We zoeken aardbevingen.