Voorbeelden van het gebruik van Gemeen in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
We hebben meer gemeen dan ik dacht.
Nee, gemeen als, echt. Wat?
Je bent gemeen en onwetend.
Nee, ze is gewoon gemeen.
En doordat hij alleen was werd hij gemeen.
Wij hebben niks gemeen, Mathis!
Een leuk nummer. Een beetje gemeen soms, maar een boel pret.
Dat is gemeen zijn ook.
Dat was gemeen, aap.
Ik word gemeen en hardvochtig, Victor.
Hij werd gemeen.
Zijn vrouw is nogal gemeen.
We hebben zo veel gemeen.
Ik wil niet dat hij gemeen wordt, weet je.
Charles en Elizabeth hebben veel gemeen.
Je kunt zo gemeen zijn wanneer je dat wilt.
Je speelt gemeen, Grimsley.
Het is gemeen dat ik je dat nooit heb verteld.
Dat was niet gemeen bedoeld.
Waarover zouden we kunnen praten? We hebben niets gemeen.