Voorbeelden van het gebruik van Toch weg in het Nederlands en hun vertalingen in het Engels
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Ecclesiastic
-
Medicine
-
Financial
-
Computer
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Programming
Over een paar dagen ben je toch weg.
Ik moet toch weg.
Ik ging toch weg.
Hij gaat toch weg.
Zeker. mijn knieën zijn toch weg.
Relax, ik ben nu toch weg.
Kom op, gaat u toch weg.
Wat? We gaan toch weg?
Je gaat toch weg.
Je mensen zijn toch weg.
Wat? We gaan toch weg?
Ik ging toch weg.
Zeker. mijn knieën zijn toch weg.
Ik ga toch weg.
Ik moet toch weg, en m'n eigen dingen doen.
De regenboog is toch weg.
Hij moet toch weg.
Ik moet toch weg.
De eigenaar… is toch weg.
Ik moet toch weg.