Voorbeelden van het gebruik van Toch weg in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Als je hier weg zou kunnen… ging je toch weg.
Maar hij is nu toch weg?
Ik moet toch weg.
Mooi. Bedankt. Ik moet toch weg.
Ze gaan toch weg, vroeg of laat. Hoezeer we ook proberen ze vast te houden.
Ik ben toch weg.
Gooi die pokkeradio toch weg!
Ik ga toch weg.
hij is nu toch weg?
Ik moest toch weg.
Hij gaat toch weg?
En ze is toch weg.
Nee, ik moet toch weg.
Ik moet toch weg.
Al dat slijmerige is toch weg?
De keizer is toch weg?
Hij is toch weg.
Ze is toch weg.
Je wilt hier toch weg?
Ik moet toch weg.