Voorbeelden van het gebruik van Ophouden in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
ik de stemming niet wil ophouden.
Ik vraag niet of hij wil ophouden.
Stoppen en ophouden.
Nee, niet ophouden.
Dit moet ophouden.
Nu moet je haar laten ophouden en weggaan!
Laat me je hier ophouden.
Meneer, gewoon ophouden.
Jij kunt dit laten ophouden, Alan.
Jij bent bij machte om dit te doen ophouden.
Snel papa, laat het ophouden.
Mevrouw, ophouden.
Hé, ophouden.
Oh God, laat het ophouden.
Ophouden, zei hij.
Rachel, laat het ophouden. Alstublieft, stop!
Ophouden, jongens!
Iedereen ophouden!
Ophouden, jullie twee.
Ophouden met werken alsjeblieft.