Voorbeelden van het gebruik van Te gaan in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Pap, je hoeft niet te gaan.
Je hoeft niet naar huis te gaan, Bertha.
Ik wou dat je niet hoeft te gaan.
Je wilt niet te gaan.
Dreigde om hogerop te gaan als we hem geen groter deel gaven.
Ze hoeft niet naar huis te gaan, maar ze kan hier niet blijven.
Misschien dreigt hij naar de politie te gaan. Je moet hem tot zwijgen brengen.
Ze heeft nog een lange weg te gaan, maar het ziet er goed uit.
Hij is geobsedeerd door naar school te gaan, te leren en goede cijfers halen.
Te gaan naar een restaurant in Duitsland.
Je moet overwegen te gaan met een auto geschikt voor wegen.
Als we terug naar Milaan te gaan voor zeker dat we de ervaring te herhalen.
Het is altijd een droom van mij geweest om naar Afrika te gaan.
morgenochtend naar Legoland te gaan?
In dit opzicht heeft China nog een lange weg te gaan.
Ik was niet eens van plan om naar dat stomme gala te gaan, Tommy.
Dus niet slecht, ook al heb ik nog een lange weg te gaan.
Waarom zijn we beiden zo opgelucht niet te gaan trouwen?
Het was mijn idee om naar de kerk te gaan.
Was het jou idee of van Trey om naar Florida te gaan?