ZE WONEN - vertaling in Spaans

vivir
leven
wonen
live
overleven
samenleven
ervaren
samenwonen
viven
leven
wonen
live
overleven
samenleven
ervaren
samenwonen
habitan
wonen
leven
verblijven
bevolken
te verwijlen
vertoeven
residen
verblijven
wonen
verblijf
liggen
zich bevinden
woonachtig zijn
vertoeven
ingezetene
asisten
bijwonen
bij te wonen
deelnemen
helpen
aanwezig
bijstaan
volgen
assisteren
bezoeken
woon
vivan
leven
wonen
live
overleven
samenleven
ervaren
samenwonen
vive
leven
wonen
live
overleven
samenleven
ervaren
samenwonen
residan
verblijven
wonen
verblijf
liggen
zich bevinden
woonachtig zijn
vertoeven
ingezetene

Voorbeelden van het gebruik van Ze wonen in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans

{-}
  • Colloquial category close
  • Official category close
  • Medicine category close
  • Financial category close
  • Ecclesiastic category close
  • Ecclesiastic category close
  • Official/political category close
  • Computer category close
  • Programming category close
Stel je voor dat ze hier wonen.
¿Te imaginas si vivieran aquí?
Je kon je patiënten alleen leren kennen door te zien waar ze wonen.
Para conocer a los pacientes había que ver dónde vivían.
Ik wou gewoon er langs rijden, kijken waar ze wonen.
Solo quería pasar con el coche y ver dónde vivían. Eso es todo.
Bij elkaar. Ze wonen samen.
Juntos" viviendo juntos.
Ze kent Greg al twee jaar. En ze wonen al 10 maanden samen.
Llevan dos años saliendo, y diez meses viviendo juntos.
Ik laat het bewoond lijken, zodat mensen zich beter kunnen inleven dat ze daar wonen.
Hago parecer que ahí vive gente para que se imaginen viviendo ahí.
Ze wonen in het huis!
Están viviendo en la casa.-¡No!
Ze wonen in een groot huis.
Ellas viven en una casa grande.
Ze wonen al een aantal jaar in Italië.
Han vivido en Italia durante muchos años.
Ze wonen op 2 km afstand van het motel.
Están viviendo a 2 Km. de ese motel.
Ze wonen samen, want wie anders begrijpt die toestand.
Están viviendo juntas,¿porque quién más podría entender esa situación?".
Ze wonen in grote huizen,
Que viven en casas grandes,
Ze wonen hier al vier jaar.
Llevan viviendo aquí cuatro años.
Ze wonen samen.
Ahora están viviendo juntos.
Ze wonen, samen in de stad.
Ellas viven juntas, en la ciudad.
Ze wonen in een huis aan het strand.
Están viviendo en una casa en la playa.
En ze wonen samen.
Se mudaron juntos.
Ze wonen naast een drugsdealer!
¡Han estado viviendo al lado de un traficante!
Ze wonen bij hun vader, Russ.
Sí, están viviendo con su papá, Russ.
Dus ze wonen samen in jouw huis. Dat zegt Kepner.
Así que están viviendo juntas en tu casa, dice Kepner.
Uitslagen: 1036, Tijd: 0.0748

Woord voor woord vertaling

Top woordenboek queries

Nederlands - Spaans