Voorbeelden van het gebruik van Ze wonen in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Stel je voor dat ze hier wonen.
Je kon je patiënten alleen leren kennen door te zien waar ze wonen.
Ik wou gewoon er langs rijden, kijken waar ze wonen.
Bij elkaar. Ze wonen samen.
Ik laat het bewoond lijken, zodat mensen zich beter kunnen inleven dat ze daar wonen.
Ze wonen in het huis!
Ze wonen in een groot huis.
Ze wonen al een aantal jaar in Italië.
Ze wonen op 2 km afstand van het motel.
Ze wonen samen, want wie anders begrijpt die toestand.
Ze wonen in grote huizen,
Ze wonen hier al vier jaar.
Ze wonen samen.
Ze wonen, samen in de stad.
Ze wonen in een huis aan het strand.
En ze wonen samen.
Ze wonen naast een drugsdealer!
Ze wonen bij hun vader, Russ.
Dus ze wonen samen in jouw huis. Dat zegt Kepner.