Voorbeelden van het gebruik van God gaf in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Ecclesiastic
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
God gaf je het talent.
God gaf me niet het geluk om kinderen te baren.
Ze zei: God gaf me enkel de wie.
God gaf me een manier om de toekomst te zien.
God gaf me een grote kans om me te laten handelen.
God gaf geen commentaar.
God gaf je een goed gezicht.
God gaf Adam en Eva het hele aardse paradijs.
God gaf me een teken, deze rol.
God gaf ieder mens een speciaal geschenk.
God gaf haar terug aan mij.
Dawoed doodde Djaloet en God gaf hem het koningschap en de wijsheid
En God gaf hem het rijk en wijsheid, en leerde hem, wat hij wilde.
David doodde Jalut. En God gaf hem het rijk en wijsheid,
En God gaf hem het rijk en wijsheid,
Dawoed doodde Djaloet en God gaf hem het koningschap en de wijsheid
En van toen aan begeerden zij een koning; en God gaf hun Saul, den zoon van Kis, een man uit den stam van Benjamin.
God gaf hun dan de beloning van het tegenwoordige leven
God gaf hun dan de beloning van het tegenwoordige leven
God gaf me een gezond lichaam…""Zo overleed mijn geliefde vrouw Clara in het kraambed.