Voorbeelden van het gebruik van Zeg jij in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Fez, wat zeg jij ervan, man uit een ander land?
Maar wat zeg jij?
Wat zeg jij, mijn broeder?
Wat zeg jij ervan, Flavius?
Jesse, wat zeg jij?
En dan zeg jij dat ik alles letterlijk opneem.
Wat zeg jij daarvan?
Wat zeg jij ervan?
Wat zeg jij, Karen?
Dan zeg jij: Wij hadden zo'n huis
Wat zeg jij nou altijd over valentijnsdag? Oh,?
Zeg jij dat je Rahl wil vernietigen?
Sinds wanneer zeg jij dat?
Waarom zeg jij me dit?
Wat zeg jij, chief?
Zeg jij het maar.
Wat zeg jij?
Niet als een typische puber, zeg jij.
Laten we de centen afschaffen, en dan zeg jij.
Storri, wat zeg jij?