Voorbeelden van het gebruik van Gingen toch in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Zij gingen toch op huwelijksreis.
Maar we gingen toch verhuizen, alleen om jouw leven te verpesten.
Jullie gingen toch uit dit weekend?
We gingen toch onderhandelen?
We gingen toch net terug, hè?
Ze gingen toch dood.
De zaken gingen toch erg goed?
We besloten om ons geluk te beproeven en gingen toch naar onze afspraken.
We kenden allemaal het gevaar die nacht maar we gingen toch.
Jij ging toch een huis kopen?
Strandhuis? Je ging toch werken?
Je ging toch naar Huntsville?
Jij ging toch naar Sunset?
U ging toch achter Pinkney aan?
Je ging toch weg?
Je ging toch weg?
Je ging toch niet vertrekken zonder mij, niet?
Je ging toch ijsvissen bij Mille Lacs?
Je ging toch trainen?
Rita, ik ga toch geen 700 kilometer rijden voor.