Voorbeelden van het gebruik van Zit goed in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
We zijn vrienden en het zit goed.
maar… Het zit goed.
Nee, het zit goed.
Er zit goed en kwaad in ons allemaal.
Er zit goed en kwaad in ons allen.
Ik zit goed, dank u.
Ja, zit goed.
Wie zit goed en wie zit fout?
Er zit goed en slecht in ons allemaal.
Ja, dat zit goed.
De band met m'n familie zit goed.
Het zit goed vast!
De klok zit goed, papa zit ernaast. Ja.
Nee, 't zit goed.
Niks zit goed op slot.- De deur zit op slot.
Die zit goed vast.
Je haar zit goed.
Het zit goed.
Niks zit goed op slot.
Schat, het zit goed.