Voorbeelden van het gebruik van Uitmaken in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Ze wilde hier deel van uitmaken.
ik moet het uitmaken.
Ik ga het niet met hem uitmaken.
Hoe kun jij hier een deel van uitmaken?
Ik dacht dat het niet zou uitmaken.
Ik wil er geen deel van uitmaken.
En zij wil het uitmaken?
Ik voelde me zeer bevoorrecht dat ik mochtdeel uitmaken van deze transformatie.
niet voor het uitmaken.
zou dat uitmaken?
Vertel haar alsjeblieft dat ik het niet wilde uitmaken.
Ik denk dat we het moeten uitmaken.
Ik moet het uitmaken.
Er zit geen' beter' in uitmaken.
Waarom wil je het uitmaken?
Zou dat wat uitmaken?
Ik snap niet dat je het wilt uitmaken.
Ik wil je niks horen zeggen over het uitmaken.
Hoe ging het uitmaken?
Dus elke keer als ik het wou uitmaken, zag ik dat kleine meisje in die blauwe jurk.