Voorbeelden van het gebruik van Eerlijk in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Ik probeer eerlijk tegen je te zijn, Savannah?
Ik moet eerlijk met je zijn, vriend.
Eerlijk, jij bent als een stier in een porseleinenkast. Het is belachelijk.
Hun partner moet eerlijk, oprecht, onafhankelijk en zelfvoorzienend zijn.
Mag ik eerlijk zijn?
Eerlijk, ik weet niet wat je nog herinnert over uw oom.
Ik bedoel, eerlijk, wat… wat gaan we doen?
Ik wil eerlijk tegen je zijn.
Ik moet eerlijk tegen je zijn. Ik vind je werk echt leuk.
Was dat eerlijk of niet?
Jack, eerlijk, het was geweldig.- Ja?
En mag ik eerlijk tegen je zijn?
Eerlijk, ik weet niet hoeveel langer ik dit nog kan volhouden.
Ik wilde eerlijk tegen je zijn.
Ze zijn eerlijk verkregen!
Mag ik eerlijk tegen je zijn?
Eerlijk, je ging jezelf toch niet echt in brand laten steken.
Nee, eerlijk, ik ben in orde, bedankt.
Wel, eerlijk en waarheidsgetrouw zijn zou een goed begin zijn.
Eerlijk jongens, ik hoef nergens bij betrokken te worden.