Voorbeelden van het gebruik van Zei het in het Nederlands en hun vertalingen in het Spaans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Je zei het zelf, ik heb het juiste gedaan.
Je zei het zelf: Geef nooit de liefde op.
Je zei het al tegen Cassidy.
Ik zou het spijt me zeggen, maar je zei het zelf, toch?
Ik zei het toch, niet dan?
Blondel zei het.
Hank zei het niet te doen.
Ik zei het je! Ze willen ons niets aan doen!
Je zei het net zo.
Ik zei het, ik was nooit zenuwachtig nu heb ik zenuwen.
Hij zei het pas toen we weggingen.
Je zei het net hardop.
De heer Barón Crespo zei het al:'uitgesteld recht is geen recht'.
Denise, je zei het zelf, we moeten voorzichtig zijn.
Ze zei het. Horen jullie dat niet?
Ik zei het al, er valt altijd iets te ontdekken.
De kolonel zei het al: goede kerels zijn moeilijk te vinden.
Ik zei het alleen maar hardop.
Ik zei het toch?
Ik zei het nog!