Voorbeelden van het gebruik van Geloven in het Nederlands en hun vertalingen in het Frans
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Ecclesiastic
-
Official/political
-
Computer
-
Programming
Jullie geloven nooit wat die boeren hebben gedaan!
Jullie geloven me toch niet.
Je wilt niet geloven wat ze voor aas gebruikten.
Je wilt niet geloven wat voor reacties ik krijg op mijn carrière-dag programma.
Sam, je kan nooit geloven wat er net is gebeurd.
Zelfs als we jou geloven, waarom vertel je ons dit nu?
Je wilt niet geloven waar hij het lichaam heeft achtergelaten.
Waarom hebt u kunnen geloven, dat hij mijn minnaar was?
Ik ga je iets vertellen en je moet me geloven.
Jullie zullen me niet geloven.
Als ik het zou vertellen zou je me niet geloven.
Je zal me niet geloven.
Je moet me geloven.
Je zult het niet geloven.
Mike, je moet me geloven.
Wanneer ga je me eindelijk geloven?
De kapitein zal ons nooit geloven.
Jullie zullen dit niet geloven.
Ik zal dat nooit geloven!