Voorbeelden van het gebruik van Vertrekken in het Nederlands en hun vertalingen in het Duits
{-}
-
Colloquial
-
Official
-
Medicine
-
Ecclesiastic
-
Financial
-
Ecclesiastic
-
Computer
-
Official/political
-
Programming
Wanneer vertrekken jij en Bobby?
Jullie kunnen vrijdag vertrekken en zondagavond terugkomen.
We vertrekken over 15 minuten.
We vertrekken pas over een uur.
Maar we moeten meteen vertrekken.
We kunnen nog niet vertrekken.
Als wij niet vertrekken, vermoorden ze ons ook.
We moeten nu ook vertrekken en hun spoor volgen.
We vertrekken over een uur, John.
Maandag. Ze vertrekken om 6 uur vanaf het Louvre.
Je kunt met hen vertrekken als we klaar zijn.
Mi amor, we moeten vertrekken.
We kunnen niet vertrekken zonder Dexter.
Ik moet vertrekken.
Nee. We moeten nu vertrekken.
We vertrekken over vier uur.
U kunt vertrekken als je wilt.
Laten we vertrekken, Ned.
We vertrekken over 20 seconden!
Hij wil vertrekken, geloof me.